RECENSIES DRIE MONNIKEN
27/04/12 De Telegraaf - Esther Kleuver
24/04/12 NRC Handelsblad - Kester Freriks
23/04/12 Brabants Dagblad - Mieske van Eck
23/04/12 Haarlems Dagblad - Margriet Prinssen
23/04/12 de Volkskrant - Annette Embrechts
21/04/12 Theaterkrant - Sara van der Kooi >>
19/04/12 Omroep Brabant - Peter Pim Windhorst
Drie monniken doorbreken stilte
In de prachtige monumentale zaal van het Amsterdamse Zonnehuis maken we kennis met drie zwijgende, zwoegende en biddende monniken. Stille rituelen hebben hen altijd op de been gehouden, maar nu gaat het klooster dicht en moeten zij een ander heenkomen zoeken. Aan de vooravond van hun vertrek doorbreken zij na dertig jaar hun stilzwijgen.
Na decennia zwijgen is praten een hele opgave voor de drie monniken
Regisseur Floor Huygen van Theater Artemis was gefascineerd door het kloosterleven en wilde hier graag een voorstelling over maken. Voor Drie monniken vroeg ze Bernard Dewulf een tekst te schrijven, en hij baseerde zich op zijn beurt weer deels op de documentaire De grote stilte (1996) van Philip Gröning. Kenmerkend voor het leven in een klooster zijn uiteraard de stilte en de routinematige rituelen waarmee men de dag vult.
'Grote niets'
Huygen stelt haar publiek het eerste deel bloot aan dat grote niets'. Voor de moderne mens is dat nogal een uitdaging, gewend als we zijn aan een dagelijkse overdosis geluid en visuele prikkels. Maar net als het echt ongemakkelijk wordt, beginnen de mannen te praten. De vroomste, zo op het eerste gezicht meest toegewijde monnik (Bert Luppes) blijkt zich altijd te hebben af gevraagd hoe zijn leven er buiten let klooster zou hebben uitgezien. De blinde monnik (Titus Muizelaar) klampt zich juist vast aan het enige leven dat hij kent, terwijl nummer drie (Paul Koek) zijn persoonlijkheid lijkt te hebben af gelegd bij het afleggen van zijn belofte. Hij grinnikt wat en brengt ondertussen de mooiste klanken en geluiden voort.
Maar wat doet dertig jaar zwijgen met een mens? En leveren al die rituelen spiritueel nog iets op? Op dat soort vragen geeft de haast gemoedelijke tekst (nog eens versterkt door het innemende spel van de acteurs) van Dewulf helaas geen antwoord. Het is jammer dat hij niet net iets dieper heeft gegraven om zo nog een stapje dichter bij de binnenwereld van deze fascinerende mannen te komen. Esther Kleuver © de Telegraaf
Zuiver spel van Luppes en Muizelaar als zoekende monniken
Het Mariabeeld is verpakt in cellofaan. Ze ligt op haar rug. Telkens maken de monniken een eerbiedige buiging voor haar. Zij bevinden zich in de desolate ruimte van een klooster. Het is de laatste avond, vanavond nog of anders morgenvroeg worden ze opgehaald. Door wie? Waarom? Dat blijft een raadsel.
Theater Artemis en Veenfabriek brengen met Drie Monniken een puur, toegewijd eerbetoon aan het ascetische monnikenleven. Acteurs Titus Muizelaar en Bert Luppes, bijgestaan door de avontuurlijke geluidskunstenaar Paul Koek, hullen zich in grijswitte pijen met kap. Aan hun religieuze leven vol verstilde rituelen moet een einde komen. Muizelaar als blinde monnik is op een prachtige manier vertwijfeld. Luppes probeert het aanstaande afscheid draaglijk te maken door zich te verheugen op de wereld buiten het klooster en wat zij, kluizenaars in dienst van God, hun leven lang gemist hebben. Ondertussen kneedt hij het deeg voor het laatste brood, maar dat zal niet meer gebakken of genuttigd worden.
Regisseur Floor Huygen heeft de monnikenwereld op doorvoelde wijze weergegeven. In beeldende taal is Drie Monniken fraai, de theatertekst van schrijver Bernard Dewulf schiet echter tekort. Herhalingen nemen de dynamiek weg en de invloed van stukken als Wachten op Godot en vooral Eindspel van Beckett is onaanvaardbaar groot. Dan toch terug naar het spel: zoals de tastende, blinde monnik Muizelaar steun vindt bij Luppes, is zuiver geacteerd. Twee zoekende zielen, onderweg naar de buitenwereld. Kester Freriks © NRC Handelsblad
Isolement wordt in verbroken stilte voelbaar
Minstens twintig minuten lang geven drie monniken zich over aan eeuwenoude rituelen. Belgeklingel deelt hier de dag in. Ze bewegen zich ongemakkelijk over ongelijke stellages die gedekt zijn met marmer en getuigen van betere tijden. Het klooster is vervallen en moet sluiten. Maria ligt al verpakt in plastic op de grond. Deze drie zijn nog over. Hun stem gebruiken ze alleen om te zingen. Spreken is hier verboden. Wat laten ze achter en vooral wat nemen ze mee?
Dertig jaar bestonden ze niet voor de wereld en bestond wereld niet voor hen. Ze moeten het klooster uit waar ze jaar in jaar uit zwijgzaam naast elkaar hebben geleefd. De laatste avond tonen de mannen, die altijd volgens de kloosterregels hebben geleefd, dat ze ook mensen zijn met verlangens, zonden, grappen en angsten. Ze stropen straks hun pijen af, maar eronder blijven ze monniken. Als het belletje klingelt, verliezen ze prompt hun eigenheid en verbergen hun gezicht in hun kap, maken zich onzichtbaar.
Nu het klooster hen geen veilige haven meer biedt, laten ze iets van hun masker vallen. De blinde Monnik (Titus Muizelaar) wil helemaal niet weg. De monnik en broodbakker (Bert Luppes) wil zijn ‘leven weer opnemen’ en de derde (Paul Koek) heerst met zijn fascinerende muziek, maar vlucht daar ook in. Jarenlang wisten ze niets van elkaar. Nu, na een aanslag op de kloosterwijn, komen de tongen los. Eerst spreekt de een. Dan volgen de anderen, behoedzaam. God ziet alles, of toch niet? Vragen dringen zich op. Is het wel God, die hen hier heeft gebracht? Of zijn hun motieven niet zo spiritueel? Bijna twee uur lang neemt regisseur Floor Huygen de toeschouwers mee op een zoektocht naar het wezen van het kloosterleven. Een leven dat ooit vanzelfsprekend moet zijn geweest. Nu nagenoeg alle kloosters gedoemd zijn te verdwijnen, dringt de vraag zich op waarom mensen zich aan zo’n leven overgeven.
Bernard Dewulf schreef een poëtische en filosofisch geladen tekst, die meer vragen oproept dan antwoorden geeft. Geen lichte kost deze verkenningstocht van het aardse en het spirituele dat mensen bindt en scheidt. Het is aan de voortreffelijke acteurs te danken dat het stuk toch blijft boeien. Titus Muizelaar vertolkt de berusting, Bert Luppes vooral wanhoop en angst, maar ook verlangen. Paul Koek blijft gehuld in de magie van zijn muziek. Meer nog dan over het kloosterleven gaat ‘Drie monniken’ over het genadeloos verstrijken van de tijd. Dertig jaar voorbij. Ga dan nog maar eens opnieuw beginnen. Hoe gaan deze mannen er weer bij horen en wat doet isolement met ieder mens? En zo is ‘Drie monniken’ vooral een stuk geworden over de zin van het leven en eenzaamheid. Want het verbreken van het zwijgen, maakt het isolement van de monniken alleen maar tastbaarder. Mieske van Eck © Brabants Dagblad (GPD)
Van Radar Love tot Requiem
Te midden van de kisten en oude planken ligt een levensgroot Mariabeeld gewikkeld in bubbeltjesplastic, de voeten omsnoerd met brede bruine tape. Een onttakelde indruk maakt het geheel. De drie monniken zijn gehuld in wijde pijen die ooit wit moeten zijn geweest maar inmiddels zijn verkleurd en versleten. Zij zijn de laatst overgeblevenen van het ooit bloeiende Kartuizerklooster en nu moeten ook zij het klooster verlaten, na drieëndertig jaar trouwe dienst.
De Vlaamse schrijver Bernard Dewulf (Libris Literatuurprijs 2010) schreef de tekst van 'Drie monniken' op uitnodiging van Floor Huygen, artistiek leider van Artemis. Zij is gefascineerd door het monnikenbestaan, dat haaks staat op het jachtige en gestreste moderne leven. Stilte en contemplatie zijn zeldzame waarden geworden, waar blijkens de vele tijdschriften en cursussen mindfulness veel mensen naar op zoek zijn. Het uitgangspunt voor 'Drie monniken' is dan ook interessant genoeg. Helaas stelt de tekst van Dewulf teleur. In het programma stelt hij een sleutel te hebben gevonden in het werk van Beckett, met name in 'Wachten op Godot' en 'EindspeF, maar dat niveau haalt zijn tekst bij lange na niet. Wat zeggen mensen tegen elkaar nadat ze zoveel jaar hun dagen samen hebben gesleten in opperste zwijgzaamheid? Spreken is voor de Kartuizer monniken, een van de strengste kloosterorden, slechts eenmaal per week gedurende een uur toegestaan en dan nog onder allerlei restricties. Wat doet dat met mensen, zo lang zwijgen? Kunnen ze nog wel een 'normaal' gesprek voeren? Je verwacht na zoveel jaar gecondenseerde en gestolde woorden van een diep filosofisch gehalte, statements vol zingeving, heilige taal. Of juist misschien een kakofonie aan woorden die al die tijd niet gesproken mochten worden, een aanval van verbale vuilspuiterij.
De teksten van Dewulf zijn geen van beide, heilig noch blasfemisch. Ze kabbelen een beetje, suggereren diepgang door veel te herhalen en als de monniken uiteindelijk gaan praten, zijn hun teksten tamelijk obligaat en voorspelbaar. Gelukkig is er een ijzersterke cast met Bert Luppes en Titus Muizelaar, en met Paul Koek als de nog steeds zwijgende maar muzikaal des te meer bijdragende derde. Hij speelt een 'n tikje boosaardige giechelmonnik en loopt rond, op inventieve wijze muziek makend met alles wat los en vast zit. Muziek die zowel aan religieuze gevoelens als aan het profane refereert: van Radar Love tot Requiem. De voorstelling wordt op locatie gespeeld op drie plekken in Nederland, in het Zonnehuis in Amsterdam Noord, in Leiden en in Den Bosch. In het Zonnehuis zit het publiek om het speelvlak heen dat bestaat uit oude planken, kisten en trapjes. Het meest genietbaar zijn de momenten van religieuze rituelen, stilte en zang. Mooi, die stilte.Margriet Prinssen © Haarlems Dagblad
Ex-monniken mijden mysterie
Ze hebben de monnik in zichzelf gevonden. Dat heeft wat moeite gekost, dat kun je zien. Ze zijn zelf verre van ascetische types. Bert Luppes en Titus Muizelaar mogen gerust zinnelijke acteurs worden genoemd. En multimuzikant Paul Koek (van Veenfabriek) is ook een levendige avonturier in zijn muziektheaterperformance.
Zinnelijke acteurs laten religieuze opdracht los in fraai abstract decor.
Juist deze mannen kregen van Theater Artemis de opdracht Drie Monniken te spelen, verinnerlijkte mannen die in hun zelfverkozen afzondering tot stilstand zijn gekomen om alles in het teken te stellen van rust, contemplatie en liefde voor God. Schrijver, dichter en essayist Bernard Dewulf - geen geoefend toneelauteur - modelleerde in zijn nieuwe toneelstuk de drie kloosterlingen bovendien naar de strengste orde: die van de Kartuizers. Zij mogen per week maar een uur praten en dan niet over eten en geloof. In Drie Monniken spelen Luppes, Muizelaar en Koek de laatste der Kartuizers. De rest ligt al in de tuin, op de begraafplaats ('Nemen we die mee?'). Het klooster is ontmanteld, de heiligen zijn ingepakt in cellofaan. Het drietal moet verhuizen, naar een onbekende plek in de profane wereld. En nu wachten ze tussen kist en beeld op mensen (wie?) die hen komen ophalen (waarheen en waartoe?).
Drie monniken van de strenge orde der Kartuizers doorbreken hun stilzwijgen.
In een gemeenschapshuis in Tuindorp Oostzaan is tegen de houten lambrisering met een paar trapjes en verhogingen een fraaie abstractie neergezet van gangen en kloostercellen. Het kale parcours wordt beschenen door wit licht. Op een plateau kneedt Luppes - de doener - nog voor de laatste keer het brooddeeg. Gebakken zal er niet meer worden. Hun klooster maar ook hun leven zal niet meer geuren naar iets zintuiglijks. Een schril contrast met de sensuele, hen vreemd geworden buitenwereld. Muizelaar - de denker - maakt als (overtuigend) blinde monnik een rustige rondgang. Steeds kijkt hij over of door mensen heen. Koek - de dirigent - neemt het verstrijken van de tijd voor zijn rekening, met klokkenspel, klepels, trillend metaal en vesperzang.
En dan - gemangeld door de gelatenheid - doorbreken ze de code en beginnen ze te praten, nieuwsgierig naar elkaars achtergrond, geheimen en vorige levens. Dan zie je dat de mannen meer acteurs zijn dan verstilde performers. Jammer dat Dewulf eigenlijk weinig broeierigs voor de mannen in petto heeft. De een is gevlucht voor zijn grote liefde, de ander verklapt zijn verlangen naar wereldse muziek. Ze vertellen moppen. Ze lachen, drinken en lappen hun religieuze opdracht steeds meer aan hun laars. Maar de grote vraag of zij, asceten, iets te weten zijn gekomen waar wij, zondaars, niet bij kunnen, blijft te veel buiten schot. De drie mannen hebben de monnik in zichzelf gevonden, maar niet zijn wezen. Annette Embrechts © de Volkskrant
Mariabeeld in bubbeltjesplastic
Monnik A: ‘Laten we zingen.’ Monnik B: ‘Vroeger, toen we hier met velen waren, zong ik graag. Dat was mooi. Zullen wij straks nog een laatste keer de vespers zingen in de kerk?’ En dat doen ze, de drie monniken. Zo luid als ze kunnen galmen ze, nee schreeuwen ze de vespers. Want daarna, of misschien morgenvroeg, worden ze opgehaald.
Zij zijn de laatste monniken van een klooster dat wordt opgedoekt. Deze laatste avond doorbreken ze hun zwijggelofte en leren ze elkaar eindelijk eens van een andere kant kennen. Drie Monniken, een voorstelling van Theater Artemis en de Veenfabriek, toont het leven binnen de kloostermuren en het verlangen naar het andere.
In de grappige, monumentale theaterzaal van Het Zonnehuis in Amsterdam Noord houdt de setting het midden tussen een werkplaats, een renovatie en een ruïne. Een paar verdiepingen en treden gemaakt van constructiepijpen, planken, marmer. Er hangt een geur van gips in de ruimte, de papieren zakken die er staan bevatten echter geen stuc maar meel. Het Mariabeeld ligt al ingepakt in bubbeltjesplastic maar neemt nog altijd een centrale plaats in. Het is ontroerend hoe de monniken toch steeds hun best doen haar te groeten als ze langs haar lopen.
De monniken wachten tot ze worden opgehaald. De ene wil niet weg, hij wil sterven tussen deze muren. De ander wil juist graag weg, het leven inhalen dat hij gemist heeft. De derde lijkt het niet zo goed te weten, hij giechelt als hij zich ongemakkelijk voelt. Bert Luppes, Titus Muizelaar en Paul Koek geven prachtig invulling aan hun personages. Koek is schitterend als de onnozele monnik die van weinig iets weet, behalve van geluid. Nauwkeurig luidt hij een prachtige collectie bellen, bedient hij de knoppen en schept zo een ijle sfeer van bijna-stilte.
Luppes’ monnik is de slover, de zuchter, de neuroot. Als het niet gaat zoals het hoort, kun je de zenuwen door zijn lijf zien gieren. Toch wil hij weg, hij wil zijn leven weer opnemen. Wat voor leven dat is, daarvan kan hij alleen dromen. Muizelaar is op zijn beurt innemend als de onorthodoxe blinde monnik die het zwijgen als eerste doorbreekt. ‘Niet zo heilig doen,’ zegt hij. ‘Het zijn maar woorden. De woorden zijn alleen maar woorden.’ ‘Nee!’ roept de ander verschrikt, ‘de woorden zijn alles!’
Regisseur Floor Huygen geeft met behulp van de spelers, geluid en decor invulling aan deze tekst van de Vlaamse schrijver Bernard Dewulf. Dat gaat haar bij vlagen erg goed af. De voorstelling zit vol met prachtige geluidskleinoodjes, grappige beeldvondsten, rake handelingen en ontroerende uitspraken. Het is dan ook jammer dat de afzonderlijke elementen niet in elkaar haken.
Dat ligt voornamelijk aan de tekst, die te lang en te repetitief is. Een half uur korter had best gekund. Maar wat vooral tegenwerkt, is de romantiek waarvan Drie Monniken is doordrenkt. De ene mooie zin volgt op de andere, overdaad schaadt. Natuurlijk: ze gaan de stilte missen, de lange gangen, het ruisen van de pijen. En natuurlijk: ze zijn tegelijkertijd verlangend naar en bang voor de buitenwereld. Maar dat hoeft niet gezegd te worden, dat moet je vooral voelen. Theaterkrant - Sara van der Kooi